Innovator

TEELTHANDLEIDING INNOVATOR, Nederland

ALGEMEEN

Kruising: Shepody x RZ-84-2580

Kweker: HZPC, Joure

Innovator is een middenvroeg ras (7) met een vroege knolzetting. De knollen zijn lang-langovaal, regelmatig van vorm en de Innovator heeft een “Russet” schil. De vleeskleur is lichtgeel tot crème.

Innovator kan zowel op lichtere als op zwaardere zavelgronden (15-35% afslibbaar) worden geteeld. Innovator is niet geschikt om te worden geteeld op zandgronden. Het ras is geschikt voor lange bewaring tot maart/april. Het onderwatergewicht van de Innovator ligt gemiddeld ±20gram lager dan een Bintje.

Het loof heeft een goede beginontwikkeling waarbij het eerste vrij opgaand en in een later stadium goed dekkend is.

RESISTENTIES

AM Wratziekte 1 Phyt.loof Phyt.knol Blauw Schurft
Pa2, Pa 3 (D,E) Onvatbaar 7 7 7,5 6

PLANTAFSTANDEN / VOORBEHANDELING POOTGOED

Innovator heeft een matig lange kiemrust. Het geven van een warmtestoot is echter aan te raden om de ogen goed los te krijgen. Er wordt aangeraden de Innovator niet te vroeg en te koud te poten ter voorkoming van opkomstproblemen. Het aantal knollen bij de Innovator is laag, waardoor wordt geadviseerd een nauwe plantafstand aan te houden.

Met het snijden van de 50/60 zijn goed resultaten behaald. De verdeling van de ogen is goed. Geadviseerd wordt om vlak voor het poten (±2 dagen) te snijden.

Innovator zet zijn knollen vrij hoog in de rug. Het is daarom noodzakelijk het pootgoed voldoende diep te planten en zorg te dragen voor een voldoende goede rugopbouw.

Innovator is gevoelig voor Rhizoctonia, waardoor een standaard knolbehandeling uitgevoerd dient te worden.

Pootgoedmaat 28/35 35/50 50/60 (gesneden)
Plantafstand 23-25 cm 29-31 cm 31-33 cm

BEMESTING

Stikstof : De stikstofbehoefte van Innovator is vergelijkbaar tot iets meer dan een Bintje. Er wordt geadviseerd 70% van de N tijdens het planten te geven, 15% tijdens de knolzetting en de resterende 15% 4 weken na de knolzetting.
Fosfaat: Volgens advies bodemonderzoek.
Kali: Kali bemesting kan een gangbaar niveau worden aangehouden. Met chloorhoudende Kali wordt geadviseerd voorzichtig om te gaan en niet toe te dienen in het voorjaar i.v.m. verlaging van het onderwatergewicht.
Magnesium Innovator is gevoelig voor Magnesium en Mangaan gebrek.

Gebruik van veel organische mest wordt afgeraden.

Innovator is gevoelig voor droogte. In geval van droogte en grote hitte is het aan te bevelen om het gewas te irrigeren.

GEWASBESCHERMING

Onkruidbestrijding: Innovator is extreem gevoelig voor Sencor.

Phythophthora bestrijding
Hoewel Innovator een redelijke resistentie heeft tegen Phytophthora in de knol en een goede resistentie in het loof is een regelmatige bespuiting noodzakelijk. Afhankelijk van de weersomstandigheden is het verstandig om ervoor zorg te dragen dat het loof een voldoende bescherming geniet. Het is hierbij beter om de dosering aan te passen dan een bespuiting over te slaan.

Luizenbestrijding
Een behoorlijke besmetting kan tot een opbrengstderving leiden. Het is daarom raadzaam uw gewas regelmatig te controleren en aan de hand hiervan een luizenbestrijding uit te voeren.

Loofdoding
Innovator is vroeg rijp, waardoor het loof eenvoudig is dood te spuiten. Laat dus na loofvernietiging het gewas voldoende afharden, in het algemeen betekent dit dat er drie weken gewacht moet worden. Innovator heeft een dunne huid.

INSCHUREN EN BEWARING

Tijdens het rooien de schudders zo weinig mogelijk gebruiken en de valhoogtes tot een minimum bepreken. Dit geldt ook voor het inschuren. De knollen van een Innovator zijn grof en lang, waardoor de knollen gevoeliger zijn voor beschadigingen en blauw.

Geadviseerd wordt om bij de Innovator geen kiemremmingsmiddelen aan de basis toe te dienen ter voorkoming van poederbrand. Geadviseerd wordt om de aardappelen zo snel mogelijk te drogen en na drie weken te starten met gassen.

Drogen:
Zodanig ventileren dat de partij snel droog is en droog blijft. Probeer de partij daarom tijdens het drogen op een redelijke temperatuur (14 – 18° C) te houden, desnoods met een kachel. Hiermee wordt voorkomen dat, door een te gering temperatuurverschil tussen buitenlucht en product, de vochtopnemende capaciteit van de ventilatielucht verdwijnt. Een ander voordeel van het aanhouden van een wat hogere producttemperatuur tijdens het drogen is, dat het wondhelingsproces bij deze temperatuur door kan gaan.

Wanneer Innovator afgerijpt geoogst wordt, kan bij een bewaartemperatuur van 7,5°C een goede verwerkingskwaliteit worden gehandhaafd. Langdurige bewaring bij 7,5°C kan echter alleen worden gerealiseerd met ondersteunende mechanische koeling.

Omdat men nooit zeker is hoe het fysiologische stadium van de knollen is gesteld op het oogsttijdstip is het veiliger een glijdend bewaarregime van 14 -> 7,5 -> 14°C na te streven.
Een glijdend temperatuurregime kenmerkt zich door na de wondheelperiode, bij 14°C, geleidelijk af te koelen met ongeveer 1°C per week naar een niveau van 7,5°C.

De bewaartemperatuur wordt in de winterperiode zo constant mogelijk gehandhaafd. Om CO2-ophoping te voorkomen wordt geadviseerd iedere dag lucht te verversen. Dit kan bijvoorbeeld door 10 minuten per dag extern te ventileren rekening houdend met de buitentemperatuur.

In het voorjaar wordt weer begonnen met een geleidelijke temperatuurstijging met ca. 1°C per week naar maximaal 14°C.

Met deze bewaarfilosofie kunnen grote temperatuurschommelingen worden voorkomen, terwijl ook de ophoping van reducerende suikers wordt beperkt. De geleidelijke temperatuurstijging in het voorjaar kan worden beschouwd als een zeer geleidelijke vorm van reconditioneren waarmee de nog aanwezige koudeverzoeting van de winterperiode grotendeels kan worden weggewerkt.


'